Wat is het?

Een heldere definitie van een gedragsstoornis is moeilijk. We kunnen het omschrijven als repetitief, uitdagend, antisociaal of agressief gedrag dat niet beantwoordt aan de sociale verwachtingen voor de leeftijd, en dus niet sociaal aanvaard wordt door de omgeving en/of de maatschappij. Omdat wij als maatschappij gestoord gedrag ongehoord vinden, leidt het tot het conflicten met de gangbare normen en waarden.
Storend gedrag wordt gestoord gedrag als het terzelfdertijd leed veroorzaakt bij de persoon zelf (bijv. niet aanvaard worden in de samenleving) en/of bij de onmiddellijke omgeving (ouders, school, …). Het kan gaan over agressie, criminele feiten, liegen of het zich niet kunnen houden aan regels. Het gedrag is uitdagend tegenover anderen en herhaalt zich voortdurend. Het is dus niet eenmalig en dringt door tot in de persoonlijkheid van het individu. Niet elk verstoord gedrag wijst op een gedragsstoornis. In deze richtlijn behandelen we gedragsstoornissen bij kinderen en adolescenten.
Gedragsstoornissen gaan vaak gepaard met stoornissen in andere ontwikkelingsvaardigheden. Zo komen dyslexie, ADHD (aandachtstekort, hyperactiviteit), motorische moeilijkheden (DCD of Developmental Coordination Disorder) en depressie vaak voor. Doordat kinderen met gedragsstoornissen moeilijk functioneren in de maatschappij, raken ze vaak ontgoocheld in menselijke interacties (vrienden, familie, leerkrachten, trainers, …) en haken ze af. Het grootste risico is dat ze buiten de maatschappij komen te staan, terwijl ze net extra steun en aandacht nodig hebben.
Men onderscheidt verschillende soorten gedragsstoornissen:

  • oppositioneel opstandige gedragsstoornis:
    Het gaat hier voornamelijk om ongehoorzaamheid. Dit komt typisch voor bij kinderen jonger dan 10 jaar. Ze willen vaak niet luisteren, zijn opstandig, reageren gemakkelijk geprikkeld en zijn snel boos. Het gedrag is vaak vijandig, wat kan leiden tot ruzie met volwassenen. Het wordt gezien als de lichtere variant onder de gedragsstoornissen, maar onbehandeld leidt het vaak tot een zwaardere gedragsstoornis (zoals hieronder beschreven).
  • gedragsstoornis beperkt tot de familiale context:
    In deze gedragsstoornis blijft het ongunstige gedrag beperkt tot het gezin. Deze stoornis heeft een goede kans op beterschap.
  • niet-gesocialiseerde gedragsstoornis:
    Het kind heeft geen goede ervaringen met interacties en relaties met anderen, en beschikt niet over de vaardigheid om zich in te leven in de situatie van anderen. Empathie is niet aanwezig en functioneren in groep is moeilijk tot onmogelijk.
  • gesocialiseerde gedragsstoornis:
    In tegenstelling tot de niet-gesocialiseerde gedragsstoornis is het kind hier wel in staat om vriendschappen te sluiten en zich te integreren in een groep. Het kind heeft het moeilijk met ethiek en de algemene normen en waarden van de maatschappij. Het geweten is niet ontwikkeld: zo is het mogelijk dat het kind wel functioneert in groep, maar zich niet schuldig kan voelen als het iets misdaan heeft.

Hoe kun je het herkennen?

De symptomen moeten enkele van de volgende omvatten: het kind verliest vaak zijn geduld, kibbelt, is ongehoorzaam, irriteert mensen opzettelijk, beschuldigt anderen van eigen fouten, is lichtgeraakt of gemakkelijk geïrriteerd, is vaak boos, hatelijk of wraakzuchtig, liegt om er persoonlijk voordeel uit te halen, is betrokken bij vechtpartijen, maakt gebruik van een wapen, blijft ’s nachts buiten ondanks verbod, begaat lichamelijke wreedheden jegens mensen en dieren, vernietigt andermans eigendom, pleegt opzettelijke brandstichting, steelt, spijbelt op school, vertoont wegloopgedrag, dwingt seksuele activiteiten af, vertoont pestgedrag, intimideert anderen, pleegt inbraken. Let wel, een eenmalig feit is niet per se een teken van een gedragsstoornis. Deze diagnose is moeilijk en vereist herhaaldelijk en blijvend ongewenst gedrag, ondanks pogingen tot bijsturen.

Hoe stelt de arts de aandoening vast?

De diagnose van een gedragsstoornis is moeilijk en vereist een grondig onderzoek. Alleen al omdat het gevolg van een diagnose een grote impact heeft op het leven van de persoon in kwestie en zijn of haar omgeving, is een weloverwogen analyse van de situatie een minimum vereiste. Een diagnose van een gedragsstoornis wordt daarom meestal gesteld in een gespecialiseerd centrum waar een multidisciplinair team met kennis van zaken de problemen in kaart brengt. Zo’n team kan bestaan uit psychologen, (kinder)psychiaters, ergotherapeuten en kinesisten. Men onderwerpt de persoon aan een aantal tests en observeert het gedrag in bepaalde situaties. Soms komt de persoon hiervoor naar huis en naar school, zodat het team ziet hoe het er in het dagelijkse leven aan toe gaat. Herhaaldelijk werd aangetoond dat hoe vroeger de problemen worden aangepakt, hoe beter de kansen op herstel zijn. Gedragsstoornissen gaan vaak gepaard met andere psychische of ontwikkelingsstoornissen, zoals ADHD, dyslexie, depressie, aandachtsstoornissen e.d. In dergelijke gevallen zullen deze stoornissen prioritair aangepakt worden, omdat de gedragsstoornis wordt gezien als onderdeel van een bredere, oorzakelijke afwijking.

Wat kun je zelf doen?

Consulteer zeker je huisarts als je vragen hebt over deze materie. Je huisarts kan de signalen van een problematische situatie herkennen en je doorverwijzen naar het juiste adres. In Vlaanderen staan ook de Centra voor LeerlingenBegeleiding (CLB’s), leerkrachten, scholen en Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW’s) als aanspreekpunt ter beschikking. In je dorp of stad is er mogelijk ook een Huis van het Kind waar je allerlei informatie kan vinden. Als het gedrag dermate misloopt dat er juridische gevolgen komen, dan kunnen jeugdrechtbanken de juiste begeleiding voorzien. Dit gebeurt liefst op vrijwillige basis, maar kan ook onder dwang worden opgelegd.

Wat kan de arts doen?

De behandeling van een gedragsstoornis is moeilijk en vergt veel tijd, geduld en discipline. Ze moet zorgvuldig gepland worden. Hulpverleners uit de eerste lijn spelen hierbij een cruciale rol, omdat zij het kind en zijn ontwikkeling van dichtbij hebben meegemaakt. Ze hebben vaak een goed zicht op het functioneren van het gezin en op de bestaande sociale interacties. Bij de aanpak gaat de voorkeur dus uit naar hulpverleners die het kind en zijn familie kennen, en omgekeerd. Ouders, maatschappelijk werkers, leerkrachten en begeleiders op school zullen belangrijke partners zijn in het begeleidingsproces. Zij zullen oordelen of specialistische ondersteuning nodig is of niet. Meestal gaat het om een traject met psychotherapie. In sommige gevallen wordt medicatie opgestart door de (kinder)psychiater. Soms wordt de patiënt opgenomen in een speciaal centrum, waarbij een therapeutisch traject wordt doorlopen. Men start meestal vanuit een basis van veiligheid en vertrouwen, van waaruit gedragswijzigingen kunnen groeien. De persoon moet zelfvertrouwen kweken om te geloven dat het anders kan. Als er in de onmiddellijke omgeving (bijv. ouders) problemen zijn van psychosociale aard, dan kunnen deze ook aangepakt worden. De integrale manier van werken, waarbij alles in rekening wordt gebracht, is de gouden standaard in de behandeling. Als er sprake is van verslaving en/of middelenmisbruik (alcohol, cocaïne, cannabis, …) kan men de hulp van verslavingszorg inroepen. Als er ook taal- en spraakproblemen en/of leermoeilijkheden zijn, doet men beroep op een logopedist. Kinesisten kunnen motorische vaardigheden aanpakken, zoals schrijftherapie, het verbeteren van coördinatie en andere fijne handelingen. Maatschappelijk werkers kunnen sociale en administratieve problemen verhelpen. Soms is de jeugdrechtbank betrokken en kunnen ook zij begeleiding voorzien. In bepaalde gevallen bekijken ze dan verlengde minderjarigheid (zodat men ouder dan 18 nog steeds wettelijk minderjarig is) of zoeken ze een voogd of pleeggezin.

Bronnen

www.ebpnet.be