Wat is het?
Het leven van een kind kan niet altijd gespaard blijven van familiale of sociale stressfactoren. Hoe een kind hiermee omgaat, is zeer individueel afhankelijk. Wanneer een kind zich moeilijk kan aanpassen aan veranderende omstandigheden, zowel positieve als negatieve, en psychische klachten vertoont, kan er sprake zijn van een aanpassingsstoornis. Voorbeelden van uitlokkende gebeurtenissen zijn: verhuizen, scheiding van de ouders, het krijgen van een broertje of zusje, het verlies van een dierbare, gescheiden worden van familie, gepest worden op school of ziekte. Een kind met een aanpassingsstoornis vertoont zijn psychische klachten niet per se continu. Afhankelijk van de context waarin het kind zich bevindt, kan zijn gedrag ook normaal zijn. Het globale functioneren en de ontwikkeling van het kind zijn wel verstoord door deze wisselende, angstige gevoelens. De specifieke verschijnselen zijn afhankelijk van de leeftijd en de ontwikkelingsfase. Niet alle kinderen reageren hetzelfde op eenzelfde situatie of traumatische gebeurtenis. Veel hangt af van de kwetsbaarheid van het kind. Ook de reactie van de omgeving en de eventuele begeleiding van het kind spelen een rol in deze aandoening.

Hoe vaak komt het voor?
De frequentie van een aanpassingsstoornis bij kinderen is moeilijk te meten. Volgens sommige studies komt dit bij 4% van de kinderen voor. 40% van de kinderen en jongeren die op een spoedgevallendienst terecht komt om psychiatrische redenen heeft een aanpassingsstoornis.

Hoe kun je het herkennen?
De symptomen treden op binnen 1 tot 3 maanden na een veranderde situatie of traumatische gebeurtenis. Indien ze langer dan 6 maanden na het verdwijnen van de uitlokkende factor nog aanwezig zijn, moet men naar andere oorzaken van het gedrag zoeken. Het is dan niet uitgesloten dat het kind lijdt aan een andere psychiatrische aandoening. Een aanpassingsstoornis bij kinderen kan zich op verschillende manieren uiten: – kortstondige of langdurige depressiviteit: het kind heeft nergens zin en beleeft geen plezier meer; – depressiviteit gepaard met angst; – zich terugtrekken uit alle sociale contacten; – gedragsstoornissen; – gemengde stoornis in emotie en gedrag.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?
Een vraaggesprek door de arts is cruciaal voor de vaststelling van een aanpassingsstoornis bij kinderen. De arts kan ook het gedrag van het kind observeren in de spreekkamer. Eventueel kan de huisarts met de CLB-arts overleg plegen om na te gaan of er op school ook problemen zijn of dat er gedragsveranderingen zijn opgemerkt.

Wat kan je zelf doen?
Creëer een veilige omgeving voor het kind. Als de ouders en omgeving van het kind de situatie ook als stresserend ervaren, moeten ze eerst met de situatie leren omgaan om vervolgens het kind te kunnen ondersteunen. Met andere woorden: de draagkracht van de omgeving van het kind is heel belangrijk.

Wat kan je arts doen?
Samen met de arts kan men bekijken hoe het kind het probleem ervaart en welke zaken men kan verbeteren of aanpassen. In veel gevallen is de nieuwe situatie blijvend en moet men het kind begeleiden om er beter mee te kunnen omgaan. Soms is ondersteuning van de huisarts voldoende, in andere gevallen is doorverwijzing naar een kinderpsychiater of -psycholoog noodzakelijk. Zij proberen via vraaggesprekken en cognitieve gedragstherapie de gedachten van het kind bij te sturen. Kinderen herstellen goed van een aanpassingsstoornis. Het is belangrijk dat de arts de diagnose vroeg stelt, zodat hij de behandeling ook vroeg kan starten.

Meer weten?
www.ebmpracticenet.be