Wat is het?
Fertiliteit is een ander woord voor vruchtbaarheid. We spreken van ‘subfertiliteit’ wanneer een koppel langer dan één jaar nodig heeft om zwanger te worden. Infertiliteit betekent dat je geen kinderen kunt verwekken. Maar dat is zeldzaam.

Hoe vaak komt het voor?
Van alle koppels die regelmatig seksueel contact hebben zonder voorbehoedsmiddel geraakt 80 tot 85% binnen het jaar zwanger. Van de rest wordt de helft zonder hulp zwanger binnen het daaropvolgende jaar.
De oorzaak van vruchtbaarheidsproblemen ligt in 1/4e van de gevallen bij de vrouw, in 1/4e bij de man, en in 1/4e bij beiden. Bij de rest blijft de oorzaak ongekend.
De meest frequente oorzaken van verminderde vruchtbaarheid zijn problemen met de eisprong, moeilijk doorgankelijke eileiders, endometriose en sperma van slechte kwaliteit. Maar ook andere aandoeningen kunnen hiervoor mee verantwoordelijk zijn: diabetes, epilepsie, darmziekten en overgewicht. Bovendien kan blootstelling aan schadelijke stoffen, sigarettenrook en medicatie verminderde vruchtbaarheid in de hand werken.

Hoe kun je het herkennen?
Onderzoek naar vruchtbaarheidsproblemen gebeurt pas als er na een jaar onbeschermd seksueel contact geen zwangerschap is.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?
De huisarts bevraagt je medische voorgeschiedenis en doet een aantal onderzoeken om je te kunnen doorverwijzen naar de meest geschikte specialist.

Eerste onderzoeken en tests
Eerst worden beide partners aan tests onderworpen. Soms zijn vruchtbaarheidsproblemen het gevolg van meerdere factoren. Het is daarom belangrijk om ze allemaal tijdig op te sporen.
In eerste instantie gebeurt opnieuw een bevraging van de medische voorgeschiedenis van de partners. Bij het onderzoek dat daarop volgt, gaat de arts na of er een normale eisprong plaatsvindt, of de baarmoeder gezond is, de eileiders doorgankelijk zijn en het sperma van goede kwaliteit is. Dit gebeurt aan de hand van een lichamelijk onderzoek (lichaamsbouw, lengte, gewicht, inspectie van lichaamshaar en geslachtskenmerken). Bij de vrouw gebeurt vervolgens een speculumonderzoek. Dit wil zeggen dat men een uitstrijkje neemt en een chlamydia-test doet. Chlamydia is een seksueel overdraagbare aandoening die ervoor kan zorgen dat de eileiders niet meer doorgankelijk zijn. Met een bloedonderzoek kan de arts hormonale problemen achterhalen en aantonen dat er een eisprong is. Bij de man wordt dan een sperma-analyse gedaan. Bij afwijkend resultaat, worden de teelballen verder onderzocht. 

Verder onderzoek
Brengen deze tests geen oorzaak van onvruchtbaarheid aan het licht, dan gebeurt bij de vrouw een echografie om de structuur en werking van de geslachtsorganen na te gaan. Wijst dit onderzoek niets uit of is er een vermoeden van endometriose, dan zal er een laparoscopie gebeuren. Bij dit onderzoek word je onder narcose gebracht en kijkt de gynecoloog met een flexibele buis met camera in je buik.
Bij een herhaaldelijk afwijkend resultaat van de sperma-analyse bij mannen zal de arts denken aan chromosomale afwijkingen of aan een probleem met de doorgankelijkheid van de zaadleiders. Dit laatste kan aangetoond worden aan de hand van een biopsie. 

Wat kun je zelf doen?
Als er bij kinderwens na een jaar seksueel contact zonder voorbehoedsmiddel geen zwangerschap is, contacteer je best je huisarts.
Als je zwanger probeert te geraken, kun je zelf factoren die de vruchtbaarheid negatief beïnvloeden (roken en alcohol) proberen te vermijden. Ook kun je trachten een normaal lichaamsgewicht na te streven.

Wat kan je arts doen?
De behandeling hangt af van de kansen om zonder medische hulp zwanger te worden en van de wensen van het koppel. Sommige koppels verkiezen adoptie boven het ondergaan van een medische behandeling. De arts zal een duidelijke uitleg geven over de te volgen stappen in de behandeling en de kansen op succes. Problemen met een te traag werkende schildklier of een prolactineproducerend gezwel kunnen met gepaste medicatie vlot verholpen worden.
Is er geen eisprong, zoals bij het polycysteus ovariumsyndroom, dan probeert men dit te verhelpen met hormonale therapie waarbij een eisprongstimulerend geneesmiddel wordt gebruikt. Als deze behandeling niet het gewenste resultaat heeft, kan nog andere medicatie worden ingezet om een eisprong op te wekken. Bij deze behandelingen is het belangrijk om het effect op te volgen met regelmatige echografische controles. Is er geen resultaat na 4 à 6 cycli, dan is het goed om deze behandeling te staken en andere opties te overwegen. In sommige gevallen is een chirurgische ingreep nodig, zoals bij endometriose en lichte beschadigingen aan de eileiders, maar ook ter voorbereiding van een in-vitrofertilisatie (ivf).
In-vitrofertilisatie (ivf) wordt toegepast als andere behandelingsopties hebben gefaald of als het mannelijke sperma van slechte kwaliteit is. Bij ivf zijn twee methoden mogelijk:
– ofwel brengt men de zaadcellen in de baarmoeder in op het juiste ogenblik van de cyclus (intra-uteriene inseminatie); het zaad zal dan zelf de eicel bevruchten,
– ofwel brengt men een bevrucht eitje in de baarmoeder in (intracytoplasmatische sperma-injectie of ICSI). Bij een vruchtbaarheidsbehandeling is de psychologische ondersteuning erg belangrijk. Bijna iedereen die geconfronteerd wordt met vruchtbaarheidsproblemen, maakt in meer of mindere mate een crisis door. Dit is een soort van rouwproces. Iemand die ongewenst kinderloos is, verliest immers de ongeboren kinderen die in zijn verbeelding al geleefd hebben. Dit gemis kan gepaard gaan met gevoelens van schaamte, verdriet, waardeloosheid en vernedering. Bovendien is de behandeling zelf zowel op lichamelijk als op psychisch vlak veeleisend. Soms moet men moeilijke beslissingen nemen, die verregaande gevolgen kunnen hebben voor het eigen leven en dat van een kind. Ten slotte is psychologische ondersteuning even belangrijk wanneer de behandeling niet aanslaat en men beslist om ze stop te zetten. Er bestaan zelfhulpgroepen waar lotgenoten elkaar kunnen ontmoeten en steunen.

Bronnen
www.ebmpracticenet.be
Verschenen op 25/09/2014