Wat is het?
Artrose is een ‘degeneratieve’ aandoening van een of meerdere gewrichten. Degenereren betekent kapotgaan. Een gewricht is de plaats waar 2 beenderen samenkomen en ten opzichte van elkaar bewegen. Om dit soepel te laten verlopen, passen de uiteinden van de beenderen in elkaar: het ene uiteinde heeft meestal een afgeronde, het andere een vlakke of uitgeholde vorm. Op die manier is vlot bewegen mogelijk. Aan de oppervlakte is het gewricht bekleed met een laag kraakbeen, met errond een omhulsel, het gewrichtskapsel. Dit kapsel is op zijn beurt eveneens aan de binnenkant bekleed met een slijmvlies, dat een smeerstof aanmaakt, het gewrichtsvocht.

Bij artrose wordt deze structuur onomkeerbaar beschadigd. Het kraakbeen droogt uit en wordt brokkelig. Hierdoor wordt de kraakbeenlaag dunner en minder veerkrachtig. Soms komen er stukjes los (gewrichtsmuizen) die voor blokkages kunnen zorgen. Door wrijving kan er ook ontsteking optreden. Aan de gewrichtsrand ontstaat kalkafzetting (osteofyten). Het resultaat is dat de beenderen dichter bij elkaar komen en minder bewegingsruimte hebben. Daardoor wordt het gewricht stijver en vermindert de beweeglijkheid. In het eindstadium kan zelfs volledige verstijving optreden (ankylose).
We onderscheiden 2 soorten artrose:
– primaire artrose ontwikkelt zich in een normaal gewricht, zoals meestal het geval is bij heupartrose;
– bij secundaire artrose ligt een onderliggende factor aan de basis van de artrose. Dat kan een ziekte zijn, een kwetsuur (bijvoorbeeld een ongeval of een sportletsel) of nog een stoornis in de ontwikkeling van het gewricht.

Hoe vaak komt het voor?
Het aantal gevallen van artrose stijgt met de leeftijd: het komt zelden voor onder de 40 jaar, maar boven de 75 jaar krijgt 20 à 40% van de bevolking ermee te maken. Van de 55-plussers heeft 10 à 25% heupartrose.

Hoe kun je het herkennen?
De 2 voornaamste kenmerken zijn pijn en bewegingsbeperking. Eerst treedt er pijn op bij het belasten van het gewricht, zoals bij sporten of zelfs gewoon wandelen. In een verder gevorderd stadium is er ook pijn in rust die de slaap kan verstoren. De gewrichten boeten gaandeweg aan beweeglijkheid in. Je kunt dan bijvoorbeeld op de duur je knie niet meer volledig meer plooien of strekken. Soms zijn er misvormingen aan het gewricht zichtbaar, zoals scheefstand of zwelling.

Hoe stelt je arts de aandoening vast?
Na een grondige bevraging van de klachten zal de arts eerst het gewricht bekijken om na te gaan of er zwellingen of misvormingen zijn. Hij zal nazien of er vocht in het gewricht zit. Vervolgens zal hij de beweeglijkheid testen volgens de verschillende bewegingsassen van het aangetaste gewricht. Bij artrose vindt men een specifiek patroon van bewegingsbeperking. Als er twijfel is rond de diagnose, bvb. in geval van een ontsteking in aanwezigheid van een reumatische ziekte, kan een bloedonderzoek nuttig zijn. Een radiografie (Rx) wordt soms overwogen als het resultaat ervan een invloed kan hebben op de behandeling.

Wat kun je zelf doen?
Als preventiemaatregelen zijn controle van het gewicht en voldoende bewegen de belangrijkste. Zwemmen of oefeningen in water zijn zeer geschikte sporten. Is er al artrose aanwezig, dan kunnen gerichte oefeningen zonder zware belasting de evolutie vertragen. Die kan je leren onder begeleiding van een kinesitherapeut. Soms kunnen rekkingen van het gewrichtskapsel helpen. Voor een vlotter herstel na een eventuele ingreep is gewichtscontrole belangrijk.

Wat kan je arts doen?
De arts kan je coachen inzake lichaamsbeweging en je begeleiden met een dieet. Daarnaast kan hij je helpen om de pijn te verlichten met medicatie. Paracetamol maximum 3 gram per dag is in dit geval de eerste keuze. De kans op bijwerkingen is hiermee het kleinst.

Is er extra pijnstilling nodig, dan kan aan paracetamol een ontstekingsremmer toegevoegd worden. Het gebruik van ontstekingsremmers wordt best beperkt in de tijd (1 à maximum 3 weken). Ze worden best niet continu genomen omwille van de bijwerkingen op maag, nieren, hart en bloeddruk. Zo kunnen ontstekingsremmers bvb. het effect van bepaalde bloeddrukverlagers verminderen. Ook crèmes met ontstekingsremmende eigenschappen hebben een pijnstillend effect. Ze dringen weliswaar niet zeer diep door. Bij mensen met overgewicht is hun effect zeer beperkt.
Bij ernstige pijn kan de arts overwegen om een centraal werkende pijnstiller zoals tramadol voor te schrijven. Een cortisone-inspuiting in het gewricht, eventueel gevolgd door een kortdurende immobilisatie, biedt eveneens pijnverlichting. Tenzij om een heupprothese te kunnen uitstellen, wordt er in principe geen cortisone ingespoten in het heupgewricht, want dit verhoogt de kans op ernstige bijwerkingen, namelijk het afsterven van de kop van het heupbeen.
Voedingssupplementen met hyaluronzuur of glucosamine kunnen een pijnstillend effect hebben, maar er is geen bewijs dat ze het artroseproces afremmen. Steunzolen kunnen helpen om een verkeerde houding te corrigeren. Soms is aanpassing van de werkomgeving nodig, aangezien je langdurig zitten of staan moet vermijden. Ook aanpassingen in de thuissituatie kunnen het leefcomfort vergroten, bvb. gebruik van schoentrekker, ophogen van het bed en toilet bij heupartrose.
Soms is een operatieve ingreep nodig om de pijn te verlichten of om de functionaliteit en de levenskwaliteit te verbeteren. Er worden 3 soorten ingrepen toegepast:
– osteotomie: bij deze ingreep wordt de stand van het been gecorrigeerd, wat verdere evolutie van artrose kan tegengaan.
– artrodese: hierbij zet men het gewricht vast in een bepaalde stand.
– prothese: bij deze ingreep wordt het oorspronkelijke gewricht vervangen door een kunstgewricht.

Bronnen
www.ebmpracticenet.be
verschenen op 20/03/2014