Wat is het?
Chronische depressieve stemmingsstoornis is een lichte vorm van depressie die ten minste 2 jaar duurt. Depressie betekent letterlijk neerslachtigheid. Je bent depressief als je gevoelsbeleving doorlopend negatief is. Rouwen na een overlijden, in de put zitten bij een relatiebreuk of na een mislukt examen, er even onderdoor gaan… is nog geen depressie. Meestal kom je dit vanzelf wel te boven. Pas als je langer dan 3 maanden ziek bent, en de ziekte je werk en je leven ingrijpend beïnvloedt, ben je depressief. Soms blijft dit jarenlang aanhouden. Dan wordt het chronisch genoemd.

Hoe vaak komt het voor?
Chronische depressieve stemmingsstoornis komt voor bij 2% tot 3% van de bevolking en treft vaker vrouwen dan mannen. Het kan ook samen met andere aandoeningen voorkomen, zoals angststoornissen, persoonlijkheidsstoornissen en middelenmisbruik. Bij jonge vrouwen gaat het vaak gepaard met eetstoornissen: boulimie (abnormaal veel eten) en anorexia (bijna niets eten).

Hoe kun je het herkennen?
De eerste tekenen treden vaak op vóór de leeftijd van 25 jaar, en worden dan soms moeilijk herkend omdat men ze als natuurlijk onderdeel van het leven beschouwt.

De depressieve stemming is ten minste 2 jaar aanwezig en kan men herkennen aan minimum twee van de volgende klachten: neerslachtige stemming, duidelijk verminderde interesse of plezierbeleving, slaapstoornissen, verandering van de eetlust, energieverlies, gejaagdheid of juist lusteloosheid, verminderde concentratie, schuldgevoelens en gevoel van waardeloosheid en zelfmoordgedachten. Hoe meer van deze klachten je vertoont, hoe ernstiger de depressie.

Hoe stelt de arts de aandoening vast?
De arts zal aan de hand van een gesprek je klachten evalueren en nagaan of je voldoet aan de criteria voor chronische depressieve stoornis, en hoe ernstig het met je gesteld is. Heb je 3 van de 9 bovenvermelde klachten, dan is de depressie nog licht, bij 5 tot 7 wordt het al wat erger, en bij 9 is dringend ingrijpen nodig. Soms ligt een andere ziekte aan de basis van je depressie: schildklierlijden, bijnieraandoening, bloedarmoede… De arts zal uiteraard moeten nagaan of dat bij jou ook niet zo is. Daarom wordt toch dikwijls een minimum aan technisch onderzoek gedaan. Dergelijke ziekten kunnen je weerbaarheid ondermijnen en de reden zijn waarom je depressief wordt.

Wat kun je zelf doen?
Het doel is je leven terug op de rails te krijgen, en de controle erover te herwinnen. Probeer daarom zelf je activiteiten en je sociale contacten te herstellen of te behouden. Een weekplan kan hierbij helpen. Noteer wat je elke dag wilt doen, en op welk tijdstip, en voer dat ook uit. Plan ook activiteiten met andere mensen, bij een hobby- of sportclub. Indien je voelt dat ondersteuning nodig is, praat erover met je huisarts. Hij kan je wellicht gericht verwijzen voor psychologische hulp. De ervaring leert ons dat het niet eenvoudig is om een depressie achter je te laten. Veel (de meeste) patiënten komen er op eigen kracht niet uit. Daarom is een ondersteunend netwerk zeer waardevol. Je partner, familie en vrienden kunnen je hierbij helpen. De inbreng van een psycholoog is zeker nodig. Hij kan helpen om de onderliggende oorzaken van je depressie naar boven te brengen, en om een weg uit te stippelen in de aanpak naar herstel.

Wat kan je arts doen?
Je arts zal uiteraard eerst eventuele onderliggende ziekten behandelen. Zijn die er niet, of zijn ze opgelost, dan kan alle aandacht naar de depressie gaan. De meeste mensen hebben baat bij ondersteunende gesprekken met hun arts en/of psycholoog. Behandeling met medicatie is vooral nuttig in periodes dat je depressie aanzienlijk verergert of als je met zelfmoordgedachten rondloopt. Dan kan zelfs een opname in een gespecialiseerde dienst nodig zijn.

Voor lichtere gevallen is er discussie over het nut van medicatie, dat moet worden afgewogen tegenover de mogelijke bijwerkingen. Als er beslist wordt om een behandeling met antidepressiva op te starten, moet die minstens zes maanden worden volgehouden. Slechts in de helft van de gevallen volgt beterschap. Indien men te kort behandelt, komen de symptomen meestal terug. De keuze van het geneesmiddel zal afhangen van je klachtenpatroon: eerder kalmerend als je opgejaagd bent, of juist opwekkend als je altijd moe en lusteloos bent. Ook kunnen wisselwerkingen met andere medicatie optreden. Een licht slaapmiddel gedurende een beperkte tijd kan worden overwogen.

Bronnen
www.ebmpractice.be